Project Hail Mary (2026)
De ruimte is in de bioscoop zelden een gezellige plek. Sinds Kubrick zijn we gewend aan kille, blauwig gedesatureerde leegtes waarin de mens vooral heel klein en heel eenzaam is. Andy Weir bewees met zijn roman en de daaropvolgende verfilming The Martian dat het ook anders kan: ruimtevaart als opgewekt probleemoplossen, waarin een slimme kerel met gevoel voor humor zich met wetenschap, ducttape en improvisatie uit de meest hopeloze situatie kletst. Het is precies dat handelsmerk dat terugkeert in Project Hail Mary, opnieuw gebaseerd op een boek van Weir, en het pakt bijna nog mooier uit.
We beginnen bij een man die wakker wordt en niets meer weet: niet wie hij is, niet waar hij is, en al helemaal niet waarom hij als enige overlevende ronddrijft aan boord van een ruimteschip, miljoenen kilometers van huis. Stukje bij beetje komt hij er samen met ons achter dat de aarde op het spel staat en dat uitgerekend deze wat kribbige, aan zichzelf twijfelende wetenschapper de laatste hoop van de mensheid blijkt. Veel meer over de opzet ga ik niet verklappen, want ergens onderweg neemt de film een wending die je echt het beste zelf kunt ontdekken. Ik zeg er alleen over dat Project Hail Mary op dat punt verandert van een prima overlevingsthriller in iets veel warmers, geestigers en verrassenders dan de poster wellicht doet vermoeden. Ga er dus zo blanco mogelijk in.

Wat meteen opvalt, is de toon. Regisseurs Phil Lord en Christopher Miller (de mannen achter onder meer de Lego-films en Spider-Verse) hebben altijd al geweten hoe je vaart en vermaak combineert, en dat gevoel voor timing zit hier in elke scène. De film is oprecht grappig en, belangrijker nog, de humor zit nergens in de weg. Je hoort weleens de klacht dat al die grappen de spanning zouden ondermijnen; daar ben ik het niet mee eens. De lichtheid ontneemt niets van de dreiging, ze maakt de emotionele klappen juist harder omdat je op die momenten allang van de personages bent gaan houden. Met tweeënhalf uur is dit geen korte zit en her en der wordt gemopperd dat het middenstuk zou inzakken. Ook daar had ik geen last van, maar goed om te weten dat dat voor sommigen het geval is.
Dat het geheel zo fijn weg kijkt is voor een flink deel te danken aan Ryan Gosling, hij is hier fantastisch voor gecast. De rol vraagt van alles tegelijk: droge humor, paniek, kinderlijke verwondering en oprechte ontroering, vaak binnen dezelfde scène en dat terwijl hij in zijn eentje het scherm moet dragen. Gosling doet het met een lichtheid die je bijna doet vergeten hoe lastig dat is. Het is wat mij betreft een van zijn beste rollen, misschien zelfs een Oscarnominatie waardig, ook al gebeurt dat niet snel met dit soort komedies.

Ook technisch is het dik in orde. Cameraman Greig Fraser (Dune) weigert de gebruikelijke kille ruimtevaartlook en kiest juist voor warme, oranje tinten en een bijna analoge gloed; er werd zoveel mogelijk met echte sets gewerkt in plaats van eindeloze green screens, en dat zie je. De ruimte oogt hier tastbaar en uitnodigend in plaats van steriel. Daarbij komt de veelzijdige score van Daniel Pemberton, die met het hoofdpersonage meegroeit en op de juiste momenten net dat extra zetje geeft. Een lust voor oog en oor.
Waar het uiteindelijk om draait, is dat Project Hail Mary het slimme, optimistische ruimte-avontuur van The Martian weet te combineren met de emotionele reikwijdte van iets als Interstellar, zonder ooit zo zwaar op de hand te worden als die laatste. Het is intelligent en groots, maar bovenal aanstekelijk plezierig, en dat is een zeldzamere combinatie dan het klinkt. Dat de Academy er straks flink wat nominaties tegenaan kan gooien zou me niets verbazen; of het al die gouden beeldjes ook echt gaat verzilveren betwijfel ik dan weer. Maar dat maakt eerlijk gezegd weinig uit, de brede glimlach verliet mijn gezicht zelden tijdens het kijken naar deze heerlijke productie.